Wie geen geld heeft, doet niet mee

In gesprek met Stella de Zwart, auteur van Armoede krijg je gratis, over ruim een half miljoen Nederlanders in armoede, de spiraal die niemand ziet, en wat eruit helpt.

Illustratie van een man die zijn lege broekzakken naar buiten trekt

Voor de podcast sprak ik bijna een uur met Stella de Zwart, auteur van het boek Armoede krijg je gratis. Het werd een gesprek over ruim een half miljoen Nederlanders die buiten de boot vallen, over de spiraal waarin je belandt zonder dat iemand het ziet, en over wat haar er uiteindelijk weer uittrok. De volledige aflevering staat op YouTube. Hieronder een terugblik.

Er zijn gesprekken die je bijblijven omdat de cijfers groot zijn. En er zijn gesprekken die je bijblijven omdat iemand een groot cijfer ineens heel klein maakt, tot één mens aan een keukentafel. Mijn gesprek met Stella de Zwart was van het tweede soort.

Stella schreef een boek met een titel die je niet meer loslaat: Armoede krijg je gratis. Het is precies het soort regel dat pas later binnenkomt. Armoede is het enige in dit land waar je niet voor hoeft te betalen. Het wordt je aangereikt, vaak door omstandigheden waar je zelf nauwelijks invloed op hebt. Stella weet dat niet uit een rapport. Ze heeft zelf in de rij van de voedselbank gestaan, en zit er inmiddels in de raad van toezicht. Dat maakt haar verhaal anders dan de meeste verhalen over armoede: het komt van binnenuit.

“Wie geen geld heeft, doet niet mee”

Ik begon met de meest basale vraag die ik kon bedenken. Wat is armoede in Nederland eigenlijk? Stella’s antwoord was ontwapenend simpel. “Als je in de armoede leeft, kun je gewoon niet meedoen, omdat je de financiële middelen niet hebt. Wie geen geld heeft, doet eigenlijk niet mee.”

De getallen die ze noemt zijn ontnuchterend. Ruim 550.000 mensen die in armoede leven, zo’n drie procent van de bevolking. En daarnaast, zegt ze, meer dan een miljoen mensen onder de armoedegrens. Het zijn er te veel om als incident weg te zetten en te veel om te negeren. “Dat zijn 551.000 mensen die iedere dag wakker liggen van: hoe ga ik het doen? En het kan niet zo zijn dat het eigen schuld, dikke bult is. Ergens in het systeem zit iets mis.”

Wat me het meest bijbleef, is dat armoede in Nederland onzichtbaar is geworden. Je kunt het van de buitenkant niet meer zien. De tweeverdieners die zich het schompes werken en alleen hun vaste lasten net redden. De zzp’er met een onregelmatig inkomen. De professor, zelfs, die je nooit als arm zou inschatten. “Niemand gaat op een verjaardagsfeestje zeggen: ik heb deze maand geen geld, ik kom niet rond.” Sterker nog, zegt Stella, je trekt je juist terug. Je gaat minder naar feestjes, omdat je geen gespreksstof meer hebt en je je schaamt voor de rekeningen die thuis op tafel liggen. Armoede isoleert.

De spiraal

Hoe kom je erin? Stella praat liever niet in clichés, want de wegen erheen zijn divers. Bij haarzelf kwam alles tegelijk: ze raakte haar baan kwijt, ging scheiden, werd ernstig ziek en zat vast aan een onverkoopbaar huis. “Dan heb je al vijf dingen waar je aan vastzit, en kom je in een neerwaartse spiraal terecht.”

En die spiraal heeft een wreed mechaniek. Stella legt iets uit dat ik niet kende, en dat eigenlijk niemand zou moeten accepteren: de timing van de toeslagen. Huur- en zorgtoeslag worden rond de twintigste gestort, aan het eind van de maand dus. Maar als je krap zit, kom je juist eind van de maand tekort. Dus gebruik je die toeslag om boodschappen te doen, en val je de volgende maand opnieuw om. “Je vult het ene gat met het andere gat.” Haar voorstel is even praktisch als logisch: laat de huurtoeslag rechtstreeks naar de woningcorporatie gaan en de zorgtoeslag naar de verzekeraar. Dan komt het geld op de goede plek terecht, in plaats van te verdampen in een gat dat het zelf heeft helpen graven.

Daarbovenop komt een industrie die volgens Stella niet zou moeten bestaan. Klarna, kopen op afbetaling, huurkoop. Ouders die het telefoonabonnement van hun kind op afkoop nemen om aan de buitenwereld te laten zien dat het goed gaat. “Dat soort dingen zou eigenlijk gewoon niet getolereerd moeten worden.” De jeugd, zegt ze, groeit op in een standaard die almaar omhoog kruipt: de nieuwste telefoon, de nieuwste kleding. En achter die buitenkant stapelt de schuld zich op.

Geen loket, wel een zoektocht

Wat doe je als het misgaat? Hier werd Stella fel, op een rustige manier. Want er is geen loket. “Je kunt niet naar één plek gaan en zeggen: hallo, ik heb een probleem, kunnen jullie me helpen? Dat bestaat niet.” Het is een zoektocht. Van buurtteam naar schuldhulpsanering, van het ene gesprek naar het andere, telkens je hele verhaal opnieuw. In Amsterdam werken de buurtteams inmiddels integraler, je dossier wordt achter de schermen besproken, en dat helpt. Maar voor heel veel mensen blijft het zoeken.

En dan is er de voedselbank, met grenzen die hard zijn. Stella vertelt het zonder omhaal: er is een bedrag, en kom je daar een tientje boven, dan val je buiten de boot, hoe hard je het ook nodig hebt. Alleen al in Amsterdam werden afgelopen jaar tussen de tien- en twaalfduizend mensen geholpen met voedselpakketten. “Daar staat de gemiddelde burger niet bij stil,” zei ik. “Niemand staat daarbij stil,” antwoordde ze. “Ik stond er zelf ook nooit bij stil dat er armoede is en tegelijkertijd een voedselbank. Totdat je het nodig hebt.”

Wat wél werkt, vindt ze, zijn de stadspassen. De Stadspas in Amsterdam, de Ooievaarspas in Den Haag, de U-pas in Utrecht, de Rotterdampas. Ze geven kinderen toegang tot dingen die anders onbereikbaar zijn: een keer naar Artis, korting op de film. “Voor kinderen is dat een feest, ik heb het voor mijn kinderen ook gehad.” Maar er zit een schaduwkant aan. In Amsterdam staat op de pas voor mensen zonder geld een gekleurde stip, en dat stigmatiseert. Rotterdam doet het volgens haar slimmer: daar kan iederéén de pas kopen, zodat je aan de buitenkant geen verschil ziet tussen wie bemiddeld is en wie niet. Een klein ontwerpdetail, met een groot verschil in waardigheid.

Het beeld klopt niet

Een van de scherpste delen van het gesprek ging over beeldvorming. Over Steenrijk Straatarm en het cliché dat de televisie ervan maakt: de grote tv, de twee katten, de sigaretten. “Dat is het vooroordeel dat wordt neergezet. Maar dat is niet representatief.” En, voegt ze er nadrukkelijk aan toe, niet iedereen in de armoede heeft schulden. Mensen met een beperking die er door bezuinigingen honderden euro’s per maand op achteruitgaan, leven in armoede zonder ook maar één lening.

Dat bracht ons bij het woord dat ik haar het liefst hoorde fileren: zelfredzaamheid. De politiek wil dat we zelfredzaam zijn. Stella draait het om. “Iedereen moet zelfredzaam kunnen zijn. Maar iedereen heeft ook weleens hulp nodig. Ook de minister. Ook de premier.” Je kunt zelfredzaam zijn én hulp nodig hebben, dat is geen tegenstelling. Wie geld heeft, koopt zijn hulp gewoon in: een werkster, een belastingadviseur, een advocaat. Dat is óók niet zelfredzaam, dat is alleen betaalbaar.

Ze illustreerde het met een verhaal van een loodgieter dat ik niet meer vergeet. Hij komt bij een gezin, de man advocaat, de vrouw arts, met een verstopt toilet en een verstopte gootsteen. De advocaat vraagt wat het kost. Tweehonderdvijfenzeventig euro per uur, zegt de loodgieter. “Ik vraag zelf ook tweehonderdvijfenzeventig euro per uur,” zegt de advocaat, “maar dat ga ik jou niet betalen.” Waarop de loodgieter rustig zijn spullen pakt: zoek het dan zelf maar uit. Je zegt toch dat je alles kunt? Een vak is een vak. Je mag het vergelijken, zegt Stella, maar je hoeft het andere niet af te vallen.

Van een dubbeltje een kwartje

Stella’s eigen verhaal is het hart van het gesprek. Ze werkte in de modebranche, was accountmanager, reed in een mooie auto en zag, zoals ze eerlijk toegeeft, de armoede om haar heen jarenlang gewoon niet. Tot het haarzelf overkwam. Een scheiding, jaren van huis naar huis hoppen met haar kinderen, een onverkoopbaar koophuis als een baksteen om haar nek, baarmoederhalskanker, rechtszaken. “Ik voelde me ineens een heel klein meisje dat niks meer had.”

Wat me raakte, is hoe ze eruit klauterde: met brutaliteit en creativiteit. Ze schreef een brief aan een gemeenteraadslid en kreeg een urgentieverklaring. En toen ze nergens woonruimte kon vinden, maakte ze flyers met een foto van haarzelf en haar twee kinderen, en gooide die in de brievenbussen van te koop staande huizen. Of ze tijdelijk mocht huren, achthonderd tot duizend euro, zolang het huis nog niet verkocht was. Het lukte, meerdere keren. “Als je financieel niet meer bemiddeld bent, word je ook heel creatief.” Van een dubbeltje een kwartje.

Ik heb haar ook mijn eigen verhaal verteld, korter, maar het hoort erbij. Ik heb met mijn gezin een tijd van zestig euro per week geleefd, in de uitkering. Ik heb mezelf in een digitale studie gegooid, met een studiekrediet van vijfduizend euro, en we hebben het hele gezin eromheen aangepast zodat het kon. Het ging goed, ik kwam er als een raket uit. Maar ik weet, en dat zeg ik er altijd bij, dat daar geluk in zat. De ruimte, de rust, een studie die aansloeg, daarna een baan die er ook nog eens was. Niet iedereen heeft dat pad. Dat is precies waarom dit onderwerp aandacht verdient. Stella vat het genadeloos eerlijk samen: “Van een dubbeltje een kwartje maken, dat kan niet iedereen. En dat mag je ook niet verwachten.”

“Armoede is een politieke keuze”

Wat moet er dan veranderen? Stella wil het gesprek weghalen bij de discussie over hoeveel de bijstand precies omhoog moet. Ze gelooft in iets anders: talent. “Welk talent hebben mensen om terug te komen in het arbeidsproces? Daar geloof ik heel erg in, want het heeft alles te maken met je eigen waardigheid.” Wie zijn eigen geld verdient, voelt zich gelukkiger dan wie een hogere uitkering krijgt. En voor wie echt nooit meer kan werken, lichamelijk of geestelijk, moet er gewoon een fatsoenlijk bestaansminimum zijn, opnieuw doorgerekend door het Nibud naar wat een mens vandaag echt nodig heeft.

Maar er zit een muur in de weg, en die is politiek. Stella wilde zich laten omscholen tot lerares of verpleegkundige, cruciale beroepen, eigen inkomen. Haar klantmanager kreeg het budget niet vrij. “Armoede is een politieke keuze,” zegt ze, en in haar mond is dat geen leus maar een ervaring. Per gemeente, per stad, per dorp wordt bepaald hoeveel ruimte er is voor de mens achter het dossier. De professionals die dat werk doen, de klantmanagers, noemt ze goud waard, als ze de mensen tenminste ook als goud zien.

En het gaat de verkeerde kant op, vindt ze. Er was een moment dat bestaanszekerheid bovenaan stond, met mensen als Pieter Omtzigt en Carola Schouten, die zich als minister voor armoedebeleid hard maakte voor het onderwerp. Nu, zegt Stella, is de aandacht juist minder geworden, terwijl er volop geld naar defensie gaat. “Iemand die in armoede leeft, is daar niet bij gebaat. Iemand die wil studeren niet, iemand die ziek is niet.”

“Zie elkaar”

Het mooiste van het gesprek zat in het kleinste verhaal. Stella vertelde over een vuilnisman met wie ze een keer een echt gesprek had, over waarom hij voor zijn vak koos en of hij ervan rond kon komen. Maanden later, na een verhuizing, zag ze hem terug in haar nieuwe buurt. “Hé, hallo Stella.” Hij wist nog wie ze was. Eén gesprek had iets achtergelaten.

Daar komt haar slotboodschap vandaan, en ik kon het niet beter verwoorden dan zij. “Zie elkaars persoon. Zie elkaar en probeer niet te oordelen over die ander.” Ze maakt er een woordspeling van die precies de kern raakt: niet óórdelen, maar je oor delen. En, voegt ze toe: “Probeer elkaars kruiwagen te zijn om vooruit te komen. Als je dat doet, wordt de wereld echt een stuk mooier.”

Het is gemakkelijk om armoede weg te rekenen tot een percentage. Drie procent. Stella’s verdienste, in haar boek en in dit gesprek, is dat ze dat percentage terugbrengt tot wat het is: ruim een half miljoen mensen, ieder met een eigen weg erheen, en bijna allemaal met een weg eruit als we ze die niet ontnemen.

Stella de Zwart geeft door het hele land lezingen, en haar boek Armoede krijg je gratis is in de boekhandel verkrijgbaar. De volledige aflevering van de podcast staat op YouTube.

← terug naar artikelen